Het belang van immuniteit: alles begint met optimale biestopname
In tegenstelling tot sommige andere diersoorten worden biggen geboren zonder afweerstoffen. De placenta van de zeug laat namelijk geen antistoffen door, waardoor de big tijdens de eerste levensdagen volledig afhankelijk is van antistoffen uit de biest om zich te beschermen tegen ziekteverwekkers.
De eerste uren na de geboorte zijn cruciaal. De darm van de pasgeboren big is slechts gedurende een korte periode in staat om antistoffen uit de biest op te nemen. Daarna sluit deze “poort”, en kan de big geen antistoffen meer opnemen. Bovendien daalt het gehalte aan antistoffen in de biest snel na het begin van het geboorteproces. Het gehalte aan afweerstoffen in de biest halveert binnen de 6 uur.
Wanneer biggen niet voldoende antistoffen via de biest binnenkrijgen, worden ze een gemakkelijke prooi voor ziekteverwekkers in hun omgeving. Dit probleem komt vaak voor bij grote tomen, zeugen met een lage melkproductie of bij onvoldoende toezicht tijdens het werpen. Ook een gebrek aan immuniteit bij de zeug zelf kan een rol spelen. Als de zeug geen antistoffen heeft tegen bepaalde ziekteverwekkers, kan ze deze ook niet doorgeven via de biest.
Daarom zijn een goed vaccinatiebeleid en een correcte acclimatisatie van gelten essentieel om de basisimmuniteit van de toom te garanderen.
Omgeving: de impact van klimaat en hygiëne
Naast immuniteit speelt de omgeving een cruciale rol. Het klimaat in de kraamstal beïnvloedt rechtstreeks de gezondheid van zowel zeug als biggen.
Biggen hebben nood aan een warme, droge en tochtvrije omgeving. Wanneer ze worden blootgesteld aan koude of vocht, raken ze snel onderkoeld. Dit heeft niet alleen een invloed op hun energieverbruik, maar ook op hun darmwerking. Bij lagere temperaturen vertraagt de beweeglijkheid van de darm, waardoor bacteriën meer kans krijgen om zich aan de darmwand te hechten, te vermenigvuldigen en schade aan te richten.
Hygiëne is minstens even belangrijk. Een vervuilde omgeving verhoogt de infectiedruk, waardoor zelfs goed ontwikkelde biggen ziek kunnen worden. Hoe meer ziektekiemen aanwezig zijn in het kraamhok, hoe groter de kans dat ze diarree veroorzaken.
Management: toezicht, bioveiligheid en hygiëne
Het kraamstalmanagement bepaalt in grote mate of risicofactoren worden gecontroleerd of juist versterkt.
Een goede dierverzorging begint met aandacht voor bioveiligheid en hygiëne. Daarnaast is het essentieel dat alle biggen voldoende en tijdig biest opnemen. Dit vraagt een goede opvolging tijdens het werpen en eventueel gerichte interventies.
Het beperken van het overleggen van biggen in de eerste levensuren helpt ook om de overdracht van ziektekiemen te verminderen. Bovendien is het belangrijk om problemen vroegtijdig te herkennen, zodat snel kan worden ingegrepen en verliezen beperkt blijven.
Infectieuze oorzaken: welke ziektekiemen spelen een rol?
Er zijn meerdere bacteriën, virussen en parasieten die diarree bij jonge biggen kunnen veroorzaken. Afhankelijk van de betrokken ziekteverwekker zal de diarree op een verschillend tijdstip optreden en zijn de klinische symptomen verschillen. In de tabel zijn de belangrijkste infectieuze oorzaken van diarree bij kraambiggen vermeld.
Tabel: Belangrijkste ziekteverwekkers geassocieerd met diarree tijdens de eerste levensweken (1,2)
