De vitaliteit van pasgeboren biggen heeft een grote invloed op het overlevingspercentage en de prestaties tot aan het spenen, en zelfs daarna. Door genetische vooruitgang zijn de laatste decennia de toomgroottes aanzienlijk toegenomen, maar dit brengt ook nieuwe uitdagingen met zich mee. Grotere tomen kunnen leiden tot meer biggen met een lager geboortegewicht en een verminderde vitaliteit. Deze dieren lopen een groter risico om te sterven, vooral in de eerste levensdagen, wanneer de meeste uitval plaatsvindt. Het is daarom essentieel om te begrijpen wat bigvitaliteit precies betekent, hoe je het kunt beoordelen en vooral hoe je de vitaliteit van pasgeboren biggen kunt verbeteren.
De vitaliteit van een big kan niet met één enkele parameter worden vastgesteld. In de praktijk is het een combinatie van fysieke kenmerken, fysiologische parameters en gedrag na de geboorte. (1)
Een van de belangrijkste en meest praktische indicatoren is het geboortegewicht. Zwaardere biggen hebben doorgaans een grotere overlevingskans, terwijl lichtere biggen meer moeite hebben met het op peil houden van hun lichaamstemperatuur, competitie aan de uier en het opnemen van voldoende energie. Biggen met een laag geboortegewicht hebben hierdoor een duidelijk hoger risico op sterfte. Streefwaarde is een gemiddeld geboortegewicht van minimaal 1.350 gram, met maximaal 5% biggen onder 1.000 gram. (2)
Naast gewicht speelt ook de lichaamsontwikkeling een belangrijke rol. Beter ontwikkelde biggen zijn fysiologisch rijper en beter in staat zich aan te passen aan de omstandigheden buiten de baarmoeder.
De lichaamstemperatuur is eveneens een belangrijke indicator. Pasgeboren biggen komen vanuit een warme omgeving in een relatief koele stal en beschikken over weinig energiereserves. Biggen die hun lichaamstemperatuur niet snel op peil kunnen brengen, lopen een verhoogd risico op sterfte.
Het gedrag kort na de geboorte geeft veel informatie. Vitale biggen staan snel op, bewegen actief en zoeken vrijwel onmiddellijk de uier op om te drinken. Zwakkere biggen blijven vaker liggen, bewegen minder en hebben moeite om te drinken, wat hun overlevingskansen aanzienlijk verkleint.
Ook fysiologische signalen zijn van belang. Normale ademhaling wijst op een goede start, terwijl ademhalingsproblemen vaak het gevolg zijn van zuurstoftekort tijdens de geboorte en samenhangen met een lagere overlevingskans.
Ten slotte is de opname van biest (colostrum) van cruciaal belang. Biggen die onvoldoende biest opnemen, missen niet alleen energie, maar ook essentiële afweerstoffen. Dit maakt hen gevoeliger voor ziekte en verhoogt het risico op sterfte aanzienlijk. Voor optimale prestaties en bigoverleving wordt een biestopname van 250 gram per big aanbevolen. (3)
Samengevat is een vitale big een dier dat voldoende zwaar en goed ontwikkeld is, een stabiele lichaamstemperatuur heeft, actief is, normaal ademt en snel biest opneemt.
De vitaliteit van biggen wordt bepaald door een complex samenspel van factoren die te maken hebben met de big zelf, de zeug, het werpproces en de omgeving.
Op het niveau van de big zijn geboortegewicht en ontwikkeling doorslaggevend. Biggen met een laag geboortegewicht of met groeivertraging in de baarmoeder hebben een minder goed ontwikkelde orgaanfunctie, lagere energiereserves en een verminderde opnamecapaciteit van voedingsstoffen. Dit maakt hen kwetsbaarder vanaf het begin. (4)
Het werpproces is een andere kritische factor. Een lange worpduur verhoogt het risico op zuurstofgebrek tijdens de geboorte. Biggen die later in de worp geboren worden of waarbij het interval tussen geboortes groot is, hebben vaker een lagere vitaliteit en slechtere overlevingskansen. (4)
Ook de zeug speelt een belangrijke rol. Moderne zeugen produceren grotere tomen. Dit kan gepaard gaan met een grotere variatie in geboortegewicht en een hoger aandeel zwakke biggen. Daarnaast heeft de conditie van de zeug een sterke invloed. Zeugen met een slechte lichaamsconditie of onvoldoende voeding tijdens de dracht produceren vaak lichtere en minder vitale biggen en leveren minder biest.
Omgevings- en managementfactoren mogen eveneens niet onderschat worden. Pasgeboren biggen zijn erg gevoelig voor koude en tocht. Een te lage temperatuur en/of te veel tocht in de stal leiden snel tot onderkoeling en verhoogde sterfte. Daarnaast verhoogt een slechte hygiëne de ziektedruk, zeker bij biggen die onvoldoende biest hebben opgenomen en dus een zwakker immuunsysteem hebben.
Kortom, vitaliteit moet gezien worden als het resultaat van een samenspel tussen genetica, management en omgevingsfactoren.
Het verbeteren van de vitaliteit van biggen begint al vóór de geboorte en vereist een gerichte aanpak gedurende de hele kraamperiode.
Een goede basis wordt gelegd tijdens de dracht. Het is belangrijk dat zeugen in een correcte conditie verkeren en een uitgebalanceerd rantsoen krijgen, vooral in de laatste fase van de dracht. Zowel te magere als te vette zeugen geven minder optimale resultaten.
Tijdens het werpen is een goede begeleiding essentieel. Door toezicht te houden kan men ingrijpen wanneer nodig, de duur van het werpproces beperken en problemen tijdig oplossen. Dit heeft een directe positieve invloed op de vitaliteit van de biggen.
Direct na de geboorte zijn eenvoudige maatregelen zeer effectief. Het afdrogen van biggen en het voorzien van voldoende warmte helpt om warmteverlies te beperken en ondersteunt de vitaliteit, vooral bij lichtere biggen.
Het verzekeren van een snelle en voldoende opname van biest is wellicht de belangrijkste maatregel. Door zwakkere biggen actief te helpen bij het drinken en technieken zoals split suckling toe te passen, kan men ervoor zorgen dat alle biggen voldoende biest opnemen.
In de eerste 24 uur kan het egaliseren van tomen via cross-fostering bijdragen aan een betere verdeling van de biggen over de beschikbare spenen. Het is daarbij belangrijk om risicobiggen tijdig te herkennen, zoals kleine, koude of traag drinkende dieren, zodat extra zorg kan worden geboden.
Tot slot blijft een goed stalklimaat cruciaal. Een warme, droge en hygiënische omgeving vermindert stress, ondersteunt de thermoregulatie en verlaagt de kans op ziekte.
De vitaliteit van biggen is een bepalende factor voor zowel de overlevingskansen als de prestaties en wordt beïnvloed door geboortegewicht, ontwikkeling in de baarmoeder, biestopname, temperatuurregulatie en management.
Hoewel de toenemende toomgrootte uitdagingen met zich meebrengt, zijn er tal van praktische maatregelen waarmee varkenshouders de vitaliteit van hun biggen aanzienlijk kunnen verbeteren. Door te focussen op goed zeugenmanagement, begeleiding tijdens het werpen en gerichte zorg in de eerste levensuren, kan de vitaliteit sterk worden verbeterd.
Uiteindelijk draait het verbeteren van vitaliteit niet om één enkele maatregel, maar om het consequent toepassen van doordacht management doorheen de volledige dracht en kraamperiode.