Griep bij varkens (varkensinfluenza) is een veel voorkomende oorzaak van luchtwegplemen op varkensbedrijven. Waar acute uitbraken met koorts en hoesten meestal snel worden herkend, blijft het virus op sommige bedrijven voortdurend circuleren. Opeenvolgende groepen biggen worden steeds opnieuw geïnfecteerd.
Deze zogenaamde endemische influenza kan een negatieve impact hebben op groei, uniformiteit, medicatiegebruik, sterfte en de gevoeligheid voor andere luchtwegaandoeningen. Gelukkig kan een gerichte combinatie van diagnostiek, vaccinatie en managementmaatregelen helpen om varkensinfluenza onder controle te krijgen.
In tegenstelling tot een acute griepuitbraak die vrijwel alle dieren tegelijk treft, vertoont endemische influenza vaak een terugkerend patroon.
Typische symptomen zijn:
Terugkerend hoesten bij zuigende en gespeende biggen
Koorts
Niezen
Neusuitvloeiing
Verminderde voederopname
Tragere groei en minder uniforme koppels
Meer behandelingen tegen secundaire bacteriële infecties
Verhoogde sterfte
Terugkerende luchtwegproblemen in opeenvolgende rondes
Op veel bedrijven raken biggen al tijdens de zoogperiode of kort na het spenen met het griepvirus geïnfecteerd. Deze dieren vormen vervolgens een infectiebron voor jongere groepen biggen, waardoor het virus langere tijd op het bedrijf aanwezig kan blijven.
Belangrijk is dat endemische influenza veel meer is dan alleen een hoestprobleem. Onderzoek toont aan dat aanhoudende circulatie van het griepvirus gepaard kan gaan met hogere sterfte na het spenen en verminderde technische resultaten. Bovendien werkt influenza vaak als een opstap voor complexere luchtwegaandoeningen. De economische impact wordt daarom vaak onderschat.
Een belangrijke reden is dat het virus zich kan blijven verspreiden ondanks de aanwezigheid van biestantistoffen (maternale antistoffen) die biggen via de zeug meekrijgen.
Deze maternale antistoffen verminderen doorgaans de ernst van de klinische verschijnselen, maar voorkomen infectie en virusuitscheiding niet volledig. Daardoor kunnen biggen besmet raken zonder duidelijke symptomen te vertonen en toch bijdragen aan de verdere verspreiding van het virus binnen het bedrijf.
Verschillende managementfactoren kunnen de aanhoudende circulatie van het griepvirus binnen een bedrijf bevorderen:
Intensief overleggen van biggen tussen tomen
Gebruik van pleegzeugen
Mengen van dieren uit verschillende tomen
Continue productiesystemen
Onvoldoende leeftijdsscheiding tussen diergroepen
Onvoldoende reiniging en ontsmetting tussen rondes
Deze factoren vergroten het contact tussen geïnfecteerde en gevoelige dieren, waardoor het virus zich continu door de varkensstapel kan verplaatsen.
Herkenbaar? De klinische symptomen wijzen sterk op influenza, maar de laboratoriumresultaten zijn negatief. Daar zijn verschillende verklaringen voor.
Maternale immuniteit vermindert vaak de ernst van de infectie en kan de hoeveelheid uitgescheiden virus verminderen. Daardoor wordt het moeilijker om geïnfecteerde dieren op te sporen.
Een goede diagnose begint met het bemonsteren van de juiste dieren op het juiste moment.
Maak een selectie uit jonge dieren van verschillende leeftijdsgroepen. Zoals dieren uit de kraamstal, pas gespeende en gespeende biggen.
De beste kandidaten zijn varkens met recente symptomen. Let op, kraamstalbiggen hoeven geen symptomen te hebben maar kunnen het virus toch uitscheiden. Kies dieren die:
die recent zijn beginnen te hoesten
koorts hebben
onbehandeld zijn
in een vroeg stadium van de infectie zijn
Vermijd dieren die al wekenlang symptomen vertonen, omdat de virusuitscheiding dan vaak al voorbij is.
Diepe neusswabs van acuut aangetaste dieren vormen nog steeds de voorkeursmethode voor het aantonen van een griepinfectie. Het virus wordt door middel van PCR-onderzoek opgespoord.
Praktische aanbevelingen:
Bemonster 10 tot 15 dieren per groep
Selecteer dieren met recente klinische symptomen
Verzamel de monsters zo snel mogelijk na het begin van de klinische symptomen
Bewaar de monsters gekoeld en voeg een virustransportmedium toe
Breng of verzend de monsters zo snel mogelijk naar het laboratorium
Recente onderzoeken tonen aan dat bijkomende bemonsteringsmethoden de detectiekans kunnen verhogen, zeker op zeugenbedrijven. Voorbeelden zijn speekselmonsters, uierdoekjes van zeugen en omgevingsmonsters. Opsporen van het griepvirus in dit type monsters kan helpen om de viruscirculatie op bedrijfsniveau beter in kaart te brengen.
PCR-onderzoek beantwoordt de vraag: "Is het virus vandaag aanwezig?". Antistofbepaling of serologie beantwoordt de vraag: "Is er recent blootstelling geweest aan het griepvirus binnen de varkensstapel?". Het combineren van beide technieken geeft doorgaans het meest complete beeld van de infectiesituatie.
Vaccinatie vormt één van de belangrijkste instrumenten voor de controle van endemische varkensinfluenza. Het succes ervan hangt echter af van een doordachte strategie.
Influenzavirussen evolueren voortdurend. Daarom is het belangrijk om regelmatig te bepalen:
Welke subtypes op het bedrijf aanwezig zijn
Welke virusstammen circuleren
Of er veranderingen optreden doorheen de tijd
Wanneer de veldstammen te veel afwijken van de vaccinstammen, kan de bescherming verminderen. Daarom is het verstandig om de circulerende stammen regelmatig te monitoren en de vaccinatiestrategie indien nodig aan te passen.
Geïnactiveerde influenzavaccins kunnen:
klinische symptomen verminderen
longletsels beperken
productieresultaten verbeteren
de infectiedruk in de varkensstapel verlagen
Virusuitscheiding verminderen
Vaccinatie garandeert echter geen volledige steriele immuniteit. Ook gevaccineerde dieren kunnen onder bepaalde omstandigheden nog geïnfecteerd raken.
Op bedrijven met endemische influenza richt vaccinatie zich vaak op:
het verminderen van viruscirculatie bij de zeugen
het verhogen van de maternale immuniteit van biggen
het verlagen van de infectiedruk bij jonge dieren
Een goed uitgewerkt vaccinatieprogramma voor zeugen kan een belangrijke bijdrage leveren aan de controle van influenza op bedrijfsniveau.
De meest succesvolle influenza-controleprogramma's combineren vaccinatie met goede managementmaatregelen. Belangrijke aandachtspunten zijn:
beperk het overleggen van biggen zoveel mogelijk
beperk het gebruik van pleegzeugen
verbeter de scheiding tussen leeftijdsgroepen
Pas strikt all-in/all-out management toe
Zorg voor grondige reiniging en ontsmetting tussen rondes
Monitor regelmatig de circulatie van influenzavirussen
Evalueer de vaccinatiestrategie periodiek op basis van diagnostische resultaten
Endemische influenza is het resultaat van een complexe wisselwerking tussen virus, dier en management. Een totaalaanpak levert daarom de beste resultaten op.
Endemische varkensinfluenza is een veelvoorkomende, maar vaak onderschatte oorzaak van luchtwegproblemen en productieverliezen. Het virus kan langdurig op bedrijven aanwezig blijven doordat geïnfecteerde biggen de infectie van de ene naar de volgende diergroep overdragen, zelfs wanneer maternale immuniteit de klinische symptomen gedeeltelijk onderdrukt.
Een succesvolle controle berust op vier pijlers:
Correcte monstername en gerichte diagnostische analyses.
Keuze van een vaccin dat aansluit bij de circulerende veldstammen.
Een consistent en goed doordacht vaccinatieprogramma.
Managementmaatregelen die de verspreiding van het virus beperken.
Door combinatie van gerichte diagnostiek, vaccinatie en bedrijfsmanagement kan de circulatie van varkensinfluenza aanzienlijk worden verminderd, met gezondere dieren en betere technische resultaten als gevolg.
Alvarez et al. (2015). Association of the presence of influenza A virus and porcine reproductive and respiratory syndrome virus in sow farms with post-weaning mortality. Preventive Veterinary Medicine,121(3–4):240–5.
Deblanc et al. (2018). Maternally-derived antibodies do not inhibit swine influenza virus replication in piglets but decrease excreted virus infectivity and impair post-infectious immune responses. Veterinary Microbiology, 216, 142-152.
Garrido-Mantilla et al. (2019). Comparison of individual, group and environmental sampling strategies to conduct influenza surveillance in pigs. BMC Veterinary Research, 15:61.
Garrido-Mantilla et al. (2021). Impact of nurse sows on influenza A virus transmission in pigs under field conditions. Preventive Veterinary Medicine, 188, 105257.
Grau et al. (2024). Effect of stabilizers on the detection of swine influenza A virus (swIAV) in spiked oral fluids over time. Porcine Health Management 10:49.
Gumbert et al. (2020). Reproductive performance of pandemic influenza A virus infected sow herds before and after implementation of a vaccine against the influenza A (H1N1) pdm09 virus. Porcine Health Management, 6:4.
Henritzi et al. (2020). Surveillance of European domestic pig populations identifies an emerging reservoir of potentially zoonotic swine influenza A viruses. Cell Host & Microbe, 28(4):614–627.e6.
Lillie-Jaschniski et al. (2022). A New Sampling Approach for the Detection of Swine Influenza A Virus on European Sow Farms. Veterinary Sciences, 9(7):338.
Ryt-Hansen et al. (2022). The role of gilts in transmission dynamics of swine influenza virus and impacts of vaccination strategies and quarantine management. Porcine Health Management, 8:19.
Stadler et al (2024). Influenza surveillance in pigs: balancing act between broad diagnostic coverage and specific virus characterization. Porcine Health Management, 10:19.